HOME

General Conditions

Common Herbs

Some Brazilian Herbs

Tuinkruiden uit Brazilie

Waterplanten

Wat is Kwendel?

Kontact

Enkele water- en moerasplanten uit Brazilië die veelvuldig gebruikt worden in de volksgeneeskunde en in de fytotherapie.

 

          In de Braziliaanse volksgeneeskunde wordt vaak gebruik gemaakt van natuurlijk voorkomende planten, die in of langs het open zoetwater of in de moerassen en zeer vochtige plaatsen groeien. Deze planten worden hoofdzakelijk door de rurale bevolking gebruikt, maar in enkele ervan is een min of meerdere levendige handel, ze worden verzameld, gedroogd en op de markten en in de kruidenwinkels aangeboden. Enkele hebben de status van officinale plant bereikt en zijn beschreven in de Farmacopéia Brasileira van 1929 (1e editie) of 1959 (2e editie) die beide nog steeds gehanteerd mogen worden. Sommige andere, bijvoorbeeld Pfaffia hebben inmiddels internationale status en erkenning gekregen.

          Bij de handel in deze kruiden direct met de consument, doen zich soms specifieke problemen voor, zoals de mogelijkheid dat ze afkomstig zijn uit vies of besmet water, eventueel het gebrek aan hygiëne en slechte technieken bij het drogen en verwerken, de juiste identificatie, zeker als ze zijn fijngesneden en de relatieve versheid, oftewel de mogelijkheid dat de werkzame stoffen door ouderdom grotendeels zijn verdwenen.

          Water en moerasplanten hebben vaak een groter gehalte aan water dan die uit een droger biotoop. Dit vocht moet bij drogen verwijdert worden. Het droogproces is moeilijker en er bestaat een veel grotere kans op fouten, die leiden tot contaminatie of een minderwaardig product.

          De planten worden het liefst vers gebruikt, meestal in de vorm van infusie, soms van decoctie en nog mnder vaak als garrafadas, waarbij het verse kruid eerst twee weken of langer moet trekken op cachaça, suikerrietalcohol. Andere methoden zoals elixers en tincturen komen ook nog wel voor.

          Een aantal van de meest gebruikte soorten wordt hier behandeld.

 

acariçoba        [naar boven]

Hydrocotyle umbellata L. (=H. fluitansDC., =H. petiolaris DC., =H. polystachya Rich., =H. scaposa Steud., =H. umbellatata Michx., =H. vulgaris L.) in Brazilië ook bekend als onder andere erva-capitão en poçaga. Acariçoba is ook de Tupi naam, in het Nederlandse heet ze waternavel en de farmaceutische naam is Hydrocotyles umbellatae folium, vroeger was dat Herba cotyledonis aquatica en Cotyledon palustris. Het extract en de tinctuur zijn in Brazilië officinaal. Het is een overjarig kruipend kruid met een wortelstok, uit de familie Apiaceae, vroeger was dat Umbelliferae en ook werd ze wel tot de Hydrocotylaceae gerekend. Ze stamt uit Zuid Amerika en wordt 0.15!0.70m hoog. Ze komt vooral voor op zeer vochtige plaatsen, langs beken en in moerassige gebieden in een zeer brede strook langs de kust vanaf Bahia naar het zuiden. Soms wordt ze op zeer kleine schaal gekweekt als geneeskruid. De plant is iets windgevoelig en groeit het liefst in een beschaduwde plek op vochtige zandige grond met veel organisch materiaal. Ze heeft een warm klimaaat nodig.

          Het groene kruid wordt geoogst als de bladeren volwassen zijn vanaf het voorjaar tot in de zomer. Soms wordt het gedroogd, maar algemeen wordt dan geacht dat de kwaliteit achteruit gaat. Het liefst wordt van de verse plant een tinctuur gemaakt die dan het hele jaar door gebruikt kan worden. Het gedroogde kruid is nogal hygroscopisch en wordt in dichte plastic zakken of glazen, bijvoorbeeld gerecyclede maionaisepotten, bewaard. Het gedroogde kruid wordt soms op de markt verhandeld, het is dan veelal van slechte kwaliteit, door de slechte droging is het bruin geworden en ruikt naar oud hooi.

          Van goed gedroogde planten kan een smakelijke thee worden gemaakt. De groene bladeren worden wel als gekookte groente gegeten, ze hebben de smaak van worteltjes. De bladeren worden ook wel als insectenafweer middel gebruikt en onder het bed gelegd tegen vlooien. In de ververij geeft de wortel een geelachtige kleur aan wol.

          Een infusie van de bladeren wordt in de volksgeneeskunde gebruikt als diureticum, en bij problemen met lever, nieren, darmen, milt, als eetlustopwekker en bij de behandeling van reumatiek. Het sap van de verse bladeren wordt op huidvlekken en op sproeten gedaan om ze lichter te laten worden. Het is een belangrijk kruid voor de ayurvedische geneeskunde in Brazilië.

          De werkzame stoffen zijn taninen en flavoniden, verder zijn er nog tuione en eterische oliën. De wortel heeft een reuk en smaak die overeenkomt met die van peterselie.

          Hoge doses van vooral het verse kruid kunnen eventueel misselijkheid en overgeven veroorzaken. Het aanwezige tuione maakt het ongeschikt voor zwangeren.

 

chapéu-de-couro        [naar boven]

Echinodorus grandiflorus (Cham. et Schltdl.) Mich. (=E. grandiflorus var. aureus Fassett, =E. argentinensis Rataj, =E. floribundus (Seub.) Seub., =E. muricatus Griseb., =E. muricatus Wood. et Schery, =E. pubescens (Mart.) Seub., =E. sellowianus Buchenau, =Alisma floribundum Seub., =A. grandiflorum Cham. et Schlecht.) en verwante  soorten zoals E. macrophyllus (Kunth.) M. Mich. wordt in Brazilië ook wel chá-mineiro, erva-de-brejo of erva-de-pântano genoemd. De farmaceutische naam is Echinodori folium, of  Echinodorus folium. Het kruid en het vloeibaar extract zijn officinaal in Brazilië. Familie Alismataceae. De oorsprong is Brazilië. Het is een overblijvende plant van 1,50!2m hoogte, die in het water of op zeer vochtige plaatsen groeit, met grote bladeren op lange bladstelen. De witte bloemen staan in aren. Ze komt voor van het noordoosten tot het zuiden van Brazilië, maar niet in de equatoriale zone. Zeer zelden worden wel enkele exemplaren gekweekt, maar normaliter komt de hele productie van verzamelde planten. De plant is windbestendig en groeit het liefst in de volle zon, anders loopt ze snel schade op van vraat of verwaait ze ten dele door grotere slapte. De bladeren en soms de wortelstok worden wel verhandeld op markten. Ook wordt ze wel gekocht door de farmaceutische industrie.

          De bladeren in infusie worden gebruikt als diuréticum en vooral voor het verwijderen van urinezuur, het behandelen van reumatiek, jicht, problemen van de urinewegen, nierproblemen, maar ook huidproblemen, zoals acne, leverproblemen, arteriosclerose, om het niveau van de cholesterol de verlagen en bij diabetes; uitwendig wordt ze toegepast in de vorm van kompressen bij huidproblemen zoals acne, tinctuur van de wortelstok vindt gebruik tegen hernia.

          Bladeren bevatten tanninen, flavoniden, triterpenen, hart-heterosiden, hars, alkaloïden en jodium. Gedroogde bladeren smaken licht bitter en hebben geen reuk.

          Het kruid is niet giftig in de aanbevolen hoeveelheden, er zijn geen problemen bekend van het gebruik. De plant dient natuurlijk uit een schone omgeving afkomstig te zijn en zeker niet uit vies, stilstaand water.

 

drosera        [naar boven]

Drosera rotundifolia L. (=D. septentrionalis Stokes, =Rorella rotundifolia All., =Rossolis rotundifolia Moench, =R. septemtrionalis Scop.) a var. rotundifolia , maar ook andere Braziliaanse soorten, zoals D. communis St. Hil. var. communis en var. pauciflora, de meest algemene soort ter wereld en de kleine D. sessilifolia St. Hil. De algemene naam in Brazilië is ook onder andere rorela, orvalha-do-sol en  erva-dos-gotosos. In het Nederlands heet ze zonnedauw, en de farmaceutische naam is Droserae herba, vroeger heette ze ook Agua vitae (de tinctuur); Rorellae herba; Roris solis herba, Rossolis, Rorella en Salsi rosa. De Braziliaanse soorten groeien alle in zeer vochtige of natte gebieden in een zeer brede strook langs de kust en in het aan Venezuela grenzende gebied. Ze komt verder voor in beschaduwde en natte gebieden in de bergen. De plant zelf groeit niet in het water, wel erlangs, de grond kan zeer slecht en zuur zijn. Ze heeft het liefst de volle zon.  Familie Droseraceae. Het betreft een kleine overjarige planten die 0,05!0,30m hoog worden, met klieren op de bladeren waarmee gevangen insecten kunnen worden verteerd.

          De hele plant wordt gebruikt. De massa per plant is gering, daarom moet veel verzameld worden. Er zijn geen commerciële aanplantingen. De gehele plant wordt geoogst waarbij opgepast moet worden dat de bladeren niet worden aangeraakt. De wortels moeten worden gewassen, maar de bladeren mogen absoluut niet in aanraking met het water komen. Er is een geringe handel in dit kruid in de kruidenwinkels. Omdat het zo moeilijk te verzamelen is, het weegt bijna niets, is het gevaar dat de bestaande populaties door plundering aangetast worden, erg klein.

          Het sap van de bladeren wordt wel eens gebruikt om er likeur van te maken. In de volksgeneeskunde wordt het kruid in infusie gebruikt bij ademhalingsproblemen: astma, hoest, kinkhoest, bronchitis. Het heeft een ontspannende en antibiotische werking. Het wordt ook bij ochtendmisselijkheid tijdens zwangerschap gebruikt en als krampopheffer. Het is beroemd als middel tegen jicht.

          Het kruid bevat naphtoquinonen, zoals plumbagine, hydroplumbagine; rossolioside; quercitine; miricetine; kaempferol; hyperoside; tannine; organische zuren, carotenoïden, vitamine C. Plumbagine heette vroeger droserona, het is een insecticide, dat onder andere de groei beïnvloedt en de insecten steriel maakt.

          Giftigheid: nooit de voorgeschreven dosis overschrijden, niet meer dan 0,5g van het droge kruid per dag  nemen. Het verse kruid is giftig voor schapen. Het werken met het kruid kan soms leiden tot hevig hoesten.

 

fáfia        [naar boven]

Pfaffia iresinoides (Kuntze) Spreng. (=P. paniculata (Mart.) Kuntze, =Hebanthe paniculata Mart., =Gomphrena paniculata)

In de handel is het bekend als Pfaffia paniculata. Een andere soort P. glomerata (Spreng.) Pedersen (=P. stenophylla (Spreng.) Stuchlich) kan ook gebruikt worden, maar is veel minder “sterk”, omdat er geringere hoeveelheden alkaloïden in aanwezig zijn. Fáfia is de algemeen bekende naam in Brazilië, soms wordt ze ook

ginseng-brasileiro, milagroso of  suma genoemd, de Tupi naam is corangoaçú, in het Nederlands heet ze wel Braziliaanse ginseng of  pfaffia. De farmaceutische naam is Pfaffiae radix. Pfaffia is geen vervanger van ginseng, het gaat om een andere plant, met zijn eigen hoedanigheden.

          Ze behoort tot de familie Amaranthaceae en stamt uit Brazilië waar ze in het hele land voorkomt, vooral in het stromingsgebied van de rivier Paraná. Er groeien grote populaties aan de oever en de overstromingsgebieden van de grote rivieren. De plant is in fase van domesticatie. Er zijn veel belovende lijnen geselecteerd wat betreft werkstoffen en resistentie tegen nematoden en roestschimmels. Fáfia is een 2!5m hoge struik waarvan de onderste takken maar met moeite verhouten. In het voorjaar vormt ze grote iele pluimen met kleine witte bloempjes.

          Ondergronds worden grote dikke vlezige wortels gevormd, die iets op maniok lijken. De plant kan als gewas geteeld worden op goede, liefst niet te zware landbouwgrond in de volle zon. Ze tolereert hitte, lichte vorst en koude, maar kan niet tegen de droogte. Er is een groeiende, ook internationale markt voor fáfia voor de farmaceutische industrie. Het beste product zijn duidelijk herkenbare chips van lichtgele kleur. Afhankelijk van de grondsoort kunnen de wortels ook roodachtig of vuilwit worden, dit doet weliswaar niets ter zake voor de werking of de inhoudsstoffen maar de verkoopwaarde is dan altijd iets lager. In de internationale markt wordt het vooral gebruikt als afrodisiacum of als vervangingsmiddel voor Amerikaanse of Koreaanse ginseng.

          In de volksgeneeskunde worden de wortels van fáfia in decoctie of als garrafada vooral als tonicum gebruikt, bij zwakte en bij herstel na ziekte. Het is vooral erg populair bij jongeren tegen stress en als stimulans bij proefwerken en tentamens. In de Braziliaanse fytotherapie worden een groot aantal eigenschappen toegeschreven aan fáfia, vooral als antioxidant, bij het voorkomen van vroegtijdige veroudering, het behandelen van circulatieproblemen, om grotere mentale helderheid te verschaffen, als celvernieuwer. Het heeft waarschijnlijk een anabolizerende, oestrogene en steroïdale werking en wordt ingezet als reconvalescerend middel, bij menopauze problemen, maar ook als immunostimulans. Door de anti-carcinogene eigenschappen wordt het als antimutagenicum en tegen leukemie ingezet.

Fáfia bevat pfaffic acids, phosphosiden, steroïden zoals ecdisteroïden, sesquiterpenen, stigmaterol, aantonen, tot 11% van de droge stof zijn saponinen, en verder hars en slijmstoffen.

          Giftigheid: fáfia wordt normalerwijze als niet giftig beschouwd. Mensen met hoge bloeddruk en zwangeren doen er beter aan het allen met geneeskundige begeleiding te gebruiken. Mensen die met fáfia werken in een gesloten ruimte kunnen nervositeit, hoge bloedruk, diarree e huidallergie ontwikkelen.

          Fáfia is gepatenteerd als geneesmiddel ter behandeling van kankerachtige tumoren, gebaseerd op pfaffic acid en de derivaten daarvan.

          De hoeveelheden die genomen moeten worden van het kruid, zelfs in geconcentreerde vorm, zijn hoog.

 

lágrimas-de-jó        [naar boven]

Coix lacryma-jobi L. (= C. agrestis Lour., =C. arundinacea Lamk, =C. lacryma L., =C. exaltata Jacq.) var. aquatica (Roxb.) Watt (= C. aquatica Roxb.) in Brazilië ook genoemd capim-de-contas, capim-rosário en lágrimas-de-nossa-senhora, de Tupi naam is biurí of capia, in het Nederlands jobs tranen en de farmaceutische naam is Lacrimae jobi semen; Coicis lachrymae semen, vroeger: Lithospermos, Lacryma christi. Familie Poaceae, Het is een van oorsprong misschien uit Zuid Oost Azië stammend zeer hoog, overblijvend gras. Ze wordt tot 3m hoog. De variëteit aquatica is een langs beekjes en op vochtige plaatsen en in moerassen algemeen voorkomende plant. Ze hoeft niet gekweekt te worden. Het blad en de stengels zijn overigens uitstekend geschikt als veevoer, alle grote grazers eten het graag in het voorjaar en zomer als het nog mooi groen is. De plant heeft glanzende grijze of bruine ovale zaden, die wel een centimeter lang kunnen worden e zeer hard zijn. Ze zijn te hard voor het vee om zo op te eten. Ze worden soms gebruikt voor het maken van rozenkransen en voor decoratieve doeleinden.

          In de volksgeneeskunde worden de onrijpe zaden, gebroken of gemalen, in infusie gebruikt als opwekkend middel , de bloeiende toppen, of ook wel de bladeren en de wortels hebben een diuretische werking en worden gebruikt bij nieren en blaasproblemen. Bladeren worden in het warme badwater gedaan voor reuma behandeling. De wortels dienen als wormmiddel. Ontbolsterde, gekookte zaden en gemalen bloeiende toppen met jong zaad hebben verzachtende, antiinflammatorische, tonische, diuretische en pijnverminderende eigenschappen, ze worden gebruikt voor het behandelen van problemen aan de urinewegen, bij longabcessen, bij artritis e reumatische artritis.

          De zaden bevatten 20% proteïnen, waarvan 8!78% coixine. De bloeiende top bevat coixenolide, was, harsen, tanninen en suikers.

          Giftigheid: volkswijsheid zegt dat gefermenteerde zaden niet aan zwangeren gegeven mogen worden. Indien de zaden eerst bewerkt zijn en de bolster eraf gehaald, zijn er geen problemen meer. Meel, ook uit gemalen onvolwassen vruchten is beperkt houdbaar.

 

lírio-aquático        [naar boven]

Nymphaea ampla (Salisb.) DC var. ampla (=Castalia ampla Salisb., =Leuconymphaea ampla Kuntze) In Brazilië wordt ze ook aguapé-da-flor-branca en aguapé-do-grande genoemd, in het Tupi: mururé, ygoga, in het Nederlands heet ze waterlelie. De farmaceutische naam is Nymphaeae folium, semen, oleum. Familie Nymphaeaceae. Ze komt uit het tropisch en equatoriaal deel van Brazilië en de omringende landen. Het is een echte waterplant met prachtige witte, roze of blauwe bloemen. De grote bladeren liggen plat op het water, de bloemen en later de vruchten steken er boven uit. Ze komen meestal voor in stilstaand water van meertjes, dat wel tot twee meter diep kan zijn, ze wortelen in de eronder liggende bodem. Vaak wordt lírio-aquático als ornamentele plant aangeplant in meertjes in grotere tuinen. Ze groeit het best in de volle zon, is zeer vorstgevoelig, heeft het liefst hitte en lijdt van te sterke wind. Alleen planten die in schoon en onbesmet water groeien mogen worden gebruikt. Bij het oogsten worden alleen de bladschijven afgesneden, die daarna gedroogd worden. Ze worden veel in de volksgeneeskunde gebruikt, er is echter niet zoveel handel in, ook niet in de kruidenwinkels of op de markt.

          De olie uit de verse zaden worden in de volksgeneeskunde als afrodisiacum gebruikt, net als infusie van de verse bloemen.

De bladeren worden in infusie wegens de astringente, verzachtende en slijmvormende eigenschappen toegepast, vooral als algemeen versterkend middel na ziekte en zwakte, zeer waarschijnlijk hebben ze ook cardiotonische en anti-spasmodische eigenschappen. De bladeren werden vroeger wegens de hallucinogene werking graag gebruikt.

          De bladeren bevatten de alkaloïden nufarine e nufaridine, verder nuciferine, nornuciferiane, apomorfine, glicosiden en tanninen.

          De bladeren zijn licht toxisch en mogen alleen in lagere dosering worden gebruikt; grote hoeveelheden kunnen het centrale zenuwstelsel beïnvloeden en tot verlamming leiden. De olie uit de zaden en de bloemen dienen alleen onder begeleiding van een geneeskundige te worden gebruikt. Het afrodisiacum effect werd nog niet bewezen, andere soorten Nymphaea  hebben zelfs anafrodisiale eigenschappen. De bladeren en de wortelstok zijn anafrodisiacum.

 

taboa        [naar boven]

Typha angustifolia L. (=T. angustifolia var. calumetensis Peattie, =T. angustifolia var. elongata (Dudley) Wieg., =T. australis Schum et Thonn, =T. domingensis Pers., =T. elatior Boenn, =T. foveolata Pobed., =T. gracilis Reich. =T. latifolia Forst., =T. media C.C., =T. minor Cust., =T. pontica Klok.f. et A.Krasnova) wordt in Brazilië ook wel erva-de-esteira, espadana en  paineira-do-brejo genoemd. Ze heet in het Nederlands grote lisdodde en de farmaceutische naam is Typhae rhizoma, pollen, vroeger ook wel: Cestrum-mosionis. Familie Typhaceae. Het is een kosmopolitische waterplant, die ook in Brazilië veelvuldig voorkomt in stilstaand water, kanalen, rivierarmen, moerassen etc. De hoogte is 0,80!3m. Ze wordt niet gekweekt maar wel als ornamenteel getolereerd. Ze groeit vooral daar waar de bodem vruchtbaar is, ze verdraagt zowel koude als hitte, en wil steeds volle zon.

          De rizomen worden in de zomer of nazomer opgegraven en vers verwerkt, ze worden goed gewassen en geschild. Pollen wordt uit de mannelijke bloemen gehaald, door die eerst af te snijden en dan ondersteboven boven een krant te hangen. Tijdens het drogen wordt af en toe licht geklopt en dwarrelt de pollen naar beneden. Er is een onbeduidende handel in deze producten, toch worden ze vaak toegepast. Van de droge bladeren wordt veel vlechtwerk gemaakt, zowel voor ornamentele als voor gebruiksdoeleinden. De wortelstok kan overigens ook gekookt worden met enkele malen wisselen van het kookwater en net als yam worden gegeten. De zeer jonge scheuten in het voorjaar kunnen worden gekookt als bladgroente.

          In de volksgeneeskunde worden de pollen gebruikt als vervanging voor arrowrootmeel, een zeer fijn meel dat óf verwerkt wordt tot pap om aan te sterken na ziekte of als talkpoeder wordt aangewend. De wortelstok in decoctie heeft een astringerende, diuretische en verzachtende werking en wordt gebruikt bij problemen aan de urinewegen, vooral vroeger bij venerische ziekten en ook bij diarree en dysenterie. Een sterkere decoctie wordt als bloedstelpend en littekenweefselbevorderend middel toegepast.

          De wortelstok bevat grote hoeveelheden zetmeel, eiwit en in mindere mate tanninen.

          Taboa is niet giftig bij normaal gebruik, zo staat ze ook bekend. Er zijn geen meldingen van problemen.

 

Slechts een klein aantal van de enorme hoeveelheid planten in Brazilië die fytoterapeutische eigenschappen bezitten kon hier worden behandeld. De in dit artikel beschreven water- en moerasplanten zijn algemeen bekend, groeien spontaan in grote hoeveelheden in wat ruigere gebieden op het platteland en hebben een aanvaarde positieve werking op de gezondheid van de gebruikers, meestal bestaande uit de rurale bevolking.

 

- Araujo, Alceu Maynard; Medicina Rústica; 3ª ed., São Paulo, Ediç. Nacional. 1979 (Série: Brasiliana v. 300), 301 pgs.

- Arvigo, Rosita, Michael Balick; Rainforest remedies; Schors Amsterdam, 253 pgs, ill, index, refs.

- Balbach, A.; A flora nacional da medicina doméstica; 6ª ed. Ed. Edificação do Lar, São Paulo,1978; 2 vol.; 1260 pgs. index

- Cruz, G.L.; Dicionário das plantas úteis do Brasil; Ediç. Civilização Brasileira; Rio de Janeiro; 1979; 599 pgs.

- Farmacopéia dos Estados Unidos do Brasil. 2ª edição; Ind. Graf. Siqueira S.A. 1959 1265 pgs.

- Furlan, Marcos Roberto e Raul Porto Serricchio; Plantas medicinais, guia para identificação; Antônio Carlos Serricchio Jr., São Paulo 1999, CD-ROM. index

- Hoehne, F.C.; Flora Brasilica; 11 Vol.; Dept.de Agricultura do Est. de São Paulo, 1940-1955

- Hoehne, F.C.; Plantas e substâncias vegetais tóxicas e medicinais; Dept. de Botânica do Est. de São Paulo, São Paulo, 1939, 355 pgs.

- Lorenzi, H.; Plantas daninhas do Brasil; Plantarum; Nova Odessa, 1991; 440 pgs., il, index.

- Martius, Karl F.P. von; Natureza, doenças, medicina e remédios dos índios brasileiros (1844); Companhia Edit. Nacional-INL/MEC. Serie Brasiliana nº154, 183 pgs., 2ª ed. 1979.

- Morton, J.F. Atlas of medicinal plants of Middle America; Ch. Thomas. Springfields; 1981, 2 Vol. 1420 pgs., il. index, refs.

- Natureza, revista; Enciclopédia em CD-ROM, 1001 plantas e flores; Edit. Europa São Paulo 1998

- Oliveira Simões, Cláudia M, et al. org.; Farmacognosia, da planta ao medicamento; Ed. da UFRGS, Ed. da UFSC, Porto Alegre/Florianópolis, 1999, 821pgs., index.

- Pharmacopeia dos Estados Unidos do Brasil. Rio de Janeiro 1929 1.149 pgs

- Pio Correia, M.; Dicionário das plantas úteis do Brasil e das exóticas cultivadas; Min. da Agr./IBDF, Rio de Janeiro, Impr. Nacional; Rio de Janeiro, Vol.I 1926, Vol. II 1931, Vol. III 1952, Vol. IV 1969; Vol. V 1978, Vol. VI 1975.

- Taylor, Lesley; Herbal secrets of the rainforest; Prima, Rocklin, 1998, 313 pgs., il. ind. refs.

 

LS, zie ook een overeenkomstig artikel in NTvF 2003

 [naar boven]

 

(HOME)     (General Conditions)      (Common Herbs)      (Some Brazilian Herbs)

(Tuinkruiden uit Brazilie)       (Waterplanten)      (Wat is kwendel)      (Kontact)